Lang voordat tractoren, schudders en balenpersen het landschap domineerden, werd hooi volledig met de hand gemaakt. Het was zwaar, tijdrovend werk, maar ook werk dat diep verweven was met het ritme van de seizoenen, het weer en het dorpsleven. Hooi was van levensbelang: zonder hooi geen wintervoer, zonder wintervoer geen vee, en zonder vee geen boerderij. In dit artikel duiken we in hoe men vroeger hooi maakte met de hand, van het maaien van het gras tot het opslaan van het hooi voor de winter.
Het belang van hooi in vroegere tijden
Hooi was eeuwenlang de belangrijkste voedselbron voor runderen, paarden, schapen en geiten tijdens de wintermaanden. In de zomer groeide het gras overvloedig, maar in de winter lag het land stil. Boeren waren dus volledig afhankelijk van wat zij in de warme maanden konden oogsten en bewaren. Een mislukte hooioogst betekende vaak dat vee moest worden verkocht of zelfs geslacht voordat de winter begon.
Het maken van hooi was daarom geen bijzaak, maar een cruciaal onderdeel van het boerenjaar. Hele gezinnen, inclusief kinderen en soms buren, werkten samen om het gras op het juiste moment te maaien en te drogen. Alles draaide om timing en ervaring, want het weer kon het verschil maken tussen goed hooi en beschimmelde ellende.
Het juiste moment om te maaien
Vroeger werd het gras gemaaid wanneer het in bloei begon te komen. Dat was het moment waarop de voedingswaarde hoog was, maar het gras nog niet te stug. Boeren hielden de weiden dagelijks in de gaten. Ze keken naar de kleur van het gras, voelden aan de stengels en hielden vooral de lucht in de gaten. Een paar droge, zonnige dagen achter elkaar waren ideaal.
Weersvoorspellingen zoals we die nu kennen bestonden niet. Men vertrouwde op ervaring, volkswijsheden en natuurtekens: de stand van de maan, het gedrag van zwaluwen, ochtenddauw of de kleur van de zonsondergang. Toch bleef het een risico. Regen op vers gemaaid gras kon de kwaliteit van het hooi sterk verminderen.
Maaien met de zeis
Het maaien gebeurde met de zeis, een lang, gebogen mes bevestigd aan een houten steel. Het hanteren van een zeis was een vaardigheid die jaren oefening vergde. Een goede maaier kon urenlang in een gelijkmatig tempo werken, waarbij elke zwaai precies goed moest zijn. Te hoog maaien betekende minder opbrengst, te laag maaien maakte het werk zwaarder en beschadigde de zeis.
Voor het maaien begon, werd de zeis zorgvuldig geslepen. Dit gebeurde met een slijpsteen of door het mes te ‘koudsmeden’ op een klein aambeeldje, het zogeheten haren. Tijdens het maaien droeg men de slijpsteen vaak in een houder aan de riem, zodat het mes regelmatig bijgewerkt kon worden.
Het maaien begon meestal vroeg in de ochtend, wanneer het gras nog vochtig was van de dauw. Nat gras liet zich makkelijker snijden dan droog gras. Mannen liepen vaak naast elkaar in een rij, ieder met zijn eigen baan, en werkten zwijgend of in rustig gesprek terwijl het gras in lange banen neerviel.
Het laten drogen van het gras
Na het maaien bleef het gras eerst liggen om te verwelken. Dit was het begin van het droogproces. Vers gras bevat veel vocht en moet voldoende drogen om als hooi bewaard te kunnen worden. Te nat hooi ging schimmelen of kon zelfs broeien en brand veroorzaken.
Na een dag – soms al na enkele uren, afhankelijk van zon en wind – werd het gras voor het eerst gekeerd. Dit gebeurde met een houten hooivork. Het keren was zwaar werk: grote hoeveelheden gras moesten worden omgegooid zodat ook de onderkant kon drogen. Dit proces werd meerdere keren herhaald, soms verspreid over enkele dagen.
Hooischudden en harken
Naast het keren werd het gras ook geschud. Hooischudden zorgde ervoor dat het gras losser kwam te liggen en beter kon luchten. Dit gebeurde volledig met de hand, met brede houten vorken. Het was vooral werk voor vrouwen en oudere kinderen, al hielp iedereen mee wanneer dat nodig was.
Wanneer het gras voldoende droog was, werd het bij elkaar geharkt in lange rijen, de zogenaamde zwaden. Hiervoor gebruikte men houten harken met lange tanden. Het harken vereiste gevoel: het hooi mocht niet te hard worden samengedrukt, maar moest wel netjes bij elkaar liggen om later te kunnen worden verzameld.
Hooibergen en hooimijten op het land
In sommige streken werd het hooi al op het land opgeslagen in hooimijten of hooibergen. Dit gebeurde vooral wanneer het land ver van de boerderij lag of wanneer het weer onstabiel was. Een hooimijt was een zorgvuldig opgebouwde hoop hooi, vaak rond een centrale paal, zodat regenwater eraf kon lopen.
Het opzetten van een hooimijt was vakwerk. Het hooi moest laag voor laag worden opgebouwd, waarbij elke laag iets naar buiten helde. Bovenop kwam vaak een extra dikke laag of een afdekking van stro. Zo kon het hooi op het land blijven liggen tot het later werd opgehaald.
Het binnenhalen van het hooi
Wanneer het hooi volledig droog was, werd het binnengehaald. Dit gebeurde met paard en wagen of met kruiwagens. Het laden van de wagen was opnieuw zwaar werk. Grote hooivorken werden gebruikt om het hooi hoog op te stapelen, zodat zoveel mogelijk in één keer vervoerd kon worden.
Vaak hielp de hele familie mee. Kinderen trapten het hooi aan op de wagen, zodat het stevig lag. Een verkeerd gestapelde lading kon onderweg verschuiven en van de wagen vallen. Het binnenhalen moest snel gebeuren, want een plotselinge regenbui kon alsnog schade veroorzaken.
Opslag in de hooischuur
Eenmaal op de boerderij werd het hooi opgeslagen in de hooischuur of op de hooizolder. De hooischuur was speciaal ontworpen voor ventilatie. Openingen in de wanden zorgden ervoor dat lucht kon circuleren, zodat het hooi verder kon nadrogen zonder te beschimmelen.
Het hooi werd los gestort en vervolgens met de vork verdeeld en aangedrukt. Ook hier was ervaring belangrijk: te los opgeslagen hooi nam veel ruimte in, maar te dicht op elkaar kon broei veroorzaken. Boeren controleerden het hooi in de eerste weken regelmatig door met de hand of een stok de temperatuur te voelen.
Hooibergen: iconen van het landschap
In Nederland waren hooibergen een bekend gezicht. Deze vier- of vijfpalige constructies met een verstelbaar dak beschermden het hooi tegen regen. Het dak kon omhoog en omlaag worden gezet naarmate de hooiberg groeide of kromp.
Het hooi werd onder het dak opgestapeld, vaak in een ronde vorm. De hooiberg bood uitstekende ventilatie en was bijzonder geschikt voor losse opslag. In de winter werd het hooi van onderaf weggehaald, terwijl het dak langzaam zakte.
Het sociale aspect van hooien
Hooi maken was niet alleen arbeid, maar ook een sociaal gebeuren. Buren hielpen elkaar bij grote klussen, vooral bij het maaien en binnenhalen. Deze vorm van burenhulp was essentieel, omdat snelheid vaak het verschil maakte tussen succes en mislukking.
Er werd samen gegeten op het land, vaak eenvoudige maaltijden zoals brood, spek en karnemelk. Aan het eind van een geslaagde hooiperiode was er soms een kleine viering. Het harde werk schepte een band en gaf voldoening.
Het einde van een tijdperk
Met de komst van mechanisatie in de twintigste eeuw veranderde het hooien ingrijpend. Zeisen maakten plaats voor maaimachines, handwerk voor tractoren. Wat vroeger dagen of weken kostte, kon nu in enkele uren worden gedaan.
Toch leeft de herinnering aan het handmatig hooien voort. In verhalen van ouderen, in openluchtmusea en bij liefhebbers van traditioneel boerenwerk. Het herinnert ons aan een tijd waarin mens, dier en natuur nauw met elkaar verbonden waren.
Conclusie
Hooi maken met de hand was zwaar, maar essentieel werk. Het vereiste kennis, ervaring, samenwerking en doorzettingsvermogen. Elk stadium – van maaien tot opslaan – had zijn eigen technieken en risico’s. Hoewel deze manier van werken grotendeels verdwenen is, vormt zij een belangrijk onderdeel van ons agrarisch erfgoed. Het vertelt het verhaal van generaties boeren die met eenvoudige middelen zorgden voor hun dieren en hun bestaan veiligstelden.
